‘Heilige boeken’ en ‘apocriefen’ in jodendom, christendom en islam

door: Prof. dr. Peter Tomson

Spreek je van ‘apocriefen’, dan heb je het ook over ‘heilige boeken’. Alles draait om de boeken die de gemeente leest in de eredienst. Bovendien gaat het om de interpretatie die daaraan gegeven wordt. Het gaat dus om vier begrippen die onderling samenhangen, en die wij bespreken in deze volgorde: eredienst, boeken, gemeente, en interpretatie.

Eredienst

Het kader van alles is de eredienst, met name de wekelijkse samenkomst: op zaterdag voor joden, zondag voor christenen, vrijdag voor moslims. We komen samen om een gedeelte uit de ‘heilige Schrift’ te lezen en meestal ook te luisteren naar een preek. In orthodox-joodse gemeentes wordt vaak alleen voorgelezen, naast de gebeden en gezangen.

      Voor joden is het voorlezen het belangrijkste. Het is dan ook een heel ritueel. Er wordt voorgelezen uit perkamenten boekrollen. Zeven mannen worden daartoe ‘opgeroepen’, in progressief-joodse gemeentes ook vrouwen. Dat gebeurt voor het eerst als je 13 jaar wordt, of 12 als meisje. Dan ben je ‘bar mitswa’ of ‘bat mitswa’, letterlijk ‘kind van het gebod’: oud genoeg om voor de geboden in aanmerking te komen. Je moet dan een stuk voorlezen op de overgeleverde, zangerige wijs.

      Protestantse gemeenten maken niet zoveel werk van het voorlezen. Meestal doet de voorganger het op sobere wijze. In rooms-katholieke en anglicaanse parochies gebeurt het met meer ceremonieel en worden lectoren ingezet. In oosters-orthodoxe kerken wordt op zangerige toon gereciteerd. Voor alle christenen is de Schriftlezing een wezenlijk moment van de dienst.

      Ook de Koran wordt zangerig ‘gereciteerd’. De naam zelf, Koer’an, betekent precies dat: voordracht, reciet. Het langzaam, op indringende toon voordragen is de kern van de eredienst. Dit gebeurt uit het hoofd, door de voorlezer of door de gelovige zelf. Een goede moslim kent (stukken van) de Koran uit het hoofd.

Boeken

Zo blijken de drie ‘godsdiensten van het boek’ zeer verwant ‒ terwijl ze toch markant verschillen. Dat heeft alles te maken met de boeken die ze lezen. Joden lezen alleen het Oude Testament, christenen Oud en Nieuw Testament, moslims alleen de Koran. Hier komt de ‘canon’ om de hoek kijken. Het woord betekent ‘meetlat’ of ‘richtsnoer’. De canon is het ‘richtsnoer’ van de boeken die de gemeenschap leest.

      Wat gelezen wordt, heten ‘heilige geschriften’ (Rom. 1:2). Deze geschriften worden in de gemeenschap gelezen, niet andere. Die worden ‘verborgen’ ‒ ze zijn ‘apocrief’, letterlijk: ‘verborgen’. Een apocrief boek is als zodanig niet verboden, maar wordt niet in de gemeenschap voorgelezen.

      De canon definieert dus welke boeken ‘heilig’ zijn en welke ‘apocrief’. Je zou kunnen zeggen dat voor joden het Nieuwe Testament en de Koran ‘apocrief’ zijn, voor christenen de Koran, en voor moslims Oud en Nieuw Testament. In de praktijk spreekt men van de ‘apocriefe boeken’ van het Oude Testament zoals Judit en Makkabeeën, die qua sfeer dicht bij de bijbelse boeken staan, maar toch niet in de canon van ‘voorgelezen boeken’ zijn opgenomen.

      Ook het Nieuwe Testament is omgeven door verwante geschriften. Men noemt deze de ‘Apostolische Vaders’, bijvoorbeeld de Didachè of de Brieven van Clemens en van Ignatius. Ze stammen uit dezelfde gemeenschap als het Nieuwe Testament. De kerk keurde ze inhoudelijk niet af, maar nam ze toch niet op in de canon van ‘voorgelezen boeken’. Daarnaast bestaan er ‘apocriefe’ evangeliën, handelingen en openbaringen die doorgaans uit een concurrerende gemeenschap stammen en door de kerk werden afgekeurd als ‘sectarisch’.

Gemeenschap

Zo wordt duidelijk dat een gemeenschap of kerk zich geestelijk afbakent door de boeken die zij laat voorlezen. In de praktijk ging dat meestal geleidelijk. Bepaalde boeken zoals de Openbaring van Johannes werden lange tijd maar door enkele kerken gelezen. Ook het evangelie van Johannes werd niet overal onthaald; de belangrijke kerk van Rome heeft het pas vanaf de derde eeuw omarmd.

      Halverwege de tweede eeuw ontstond in de kerk een belangrijk conflict over de vraag of het Oude Testament nog wel gelezen moest worden. Marcion, een priester in Rome, vond van niet, en velen met hem. Op de achtergrond speelde hier wellicht mee, dat de joden in de door Simon bar Kochba geleide opstand tegen de Romeinen vernietigend verslagen waren. Daardoor waren de joodse godsdienst en de joodse bijbel ineens verschrikkelijk impopulair. De kerk van Rome besloot niettemin dat het Oude Testament erbij hoort en zette Marcion buiten. Christenen en joden zijn verbonden omdat ze allebei het Oude Testament lezen.

      Toch is de anti-joodse stemming nooit helemaal verdwenen. De neiging om alleen het Nieuwe Testament te lezen en niet het Oude bleef terugkeren ‒ tot de huidige dag.

Interpretatie

Het laatste begrip dat we bespreken is niet het onbelangrijkst: interpretatie. Een heilige tekst heeft het grote voordeel dat ieder die kan lezen toegang heeft. Het nadeel is dat de tekst vastligt en niet mee verandert. Er zijn verschillende manieren om daarmee om te gaan.

      Dit heeft slaat terug op de houding tegenover anderen. Wie enghartig leest, zal ook enghartig staan tegenover andere mensen en neigen tot een enge gemeenschap. De Dode-Zee-rollen geven blijk van een gemeenschap die heel letterlijk las en andere mensen heel letterlijk de maat nam. Je bent niet alleen wat je leest, maar ook hoe je leest.

      Dit valt bij alle ‘mensen van het boek’ waar te nemen. ‘Fundamentalisten’ lezen letterlijk en enghartig, ‘liberalen’ kijken minder nauw. Het ‘Conservative Judaism’ neemt een tussenpositie in: men aanvaardt niet alleen ‘heel de tekst’, maar ook ‘heel de gemeenschap’. Dat levert geen rationele antwoorden op, eerder een worsteling om betekenis en paradoxale oplossingen.

      Een vergelijkbare houding wordt aan Jezus toegeschreven. Hij hamerde op het belang van de Tien Geboden, bijvoorbeeld het vijfde, het eren van de ouders. Toch zei hij over het vierde gebod: ‘De mens is er niet voor de sabbat, maar de sabbat voor de mens’ (Marcus 7:10 en 2:27).

Dr. Peter Tomson is gasthoogleraar aan de KU Leuven