Transformatie tot staatsgodsdienst (300-800)

Goden en religies à volonté

Grieken en Romeinen hadden legio goden. Die maakten onderling wel ruzie, maar als goden (ook van verschillende volkeren) beten ze elkaar uiteindelijk niet. Men bracht ze in het Romeinse Rijk dan ook bij voorkeur samen in een pantheon. Middels vergelijkend godenonderzoek probeerde men het aantal verschillende godheden wat te beperken door bepaalde ‘types’ te definiëren, waardoor men particuliere verschijningsvormen kon linken aan een grondtype: liefdesgoden, vruchtbaarheidsgoden, oorlogsgoden, beschermgoden, huisgoden etc. Dus: Aphrodyte = Venus = Freya =… . De goden die in het pantheon geschikt konden worden, mochten door hun vereerders gewoon gediend worden, want waren regionaal, hadden een specifiek werkingsgebied en waren dus staatsongevaarlijk. Als de Romeinen over ‘religie’ spraken, zagen ze een menigte goden voor zich, die allemaal lokaal verankerd waren en wier verering bepaalde volken samenbond.

Religie was een etnisch verschijnsel waarbij meervoud en verscheidenheid geen enkel probleem vormden, want de aanspraken waren beperkt.

Sprongvariatie: een universele religie

In zo’n constellatie was een religie die pretendeerde universeel te zijn, lastiger. Als zo’n god zich zelfs niet op de plek van de oppergod (Zeus, Jupiter) liet onderbrengen, omdat hij ‘geen andere goden naast zich duldde’, dan had Rome een probleem. Met de Joden dus, maar die claimden voor hun God geen universele aanbidding. Dus dat viel mee. Het is zelfs zo dat in grote delen van hun heilig boek ook geldt dat ‘goden’ (inclusief hun eigen God) regionaal gebonden zijn. Dus ook hier kun je ‘leven en laten leven’ (Jeder soll auf seine Façon selig werden…). Bij het christendom wordt dat echter toch iets anders gezien…

Als – godsdiensthistorisch gezien – succesvolle sprongvariatie van het Jodendom, universaliseert het christendom de claim dat er maar één God is, en dat die God recht heeft op aanbidding door allen. Dat was toch wel iets nieuws op het veld van religie. Het moment waarop onder keizer Constantijn en Theodosius deze opvatting stapsgewijs tot verplichte staatsgodsdienst wordt gepromoveerd, is beslist een scharniermoment in de wereldgeschiedenis, in elk geval van Europa . Wie daarmee nu het meest gewonnen heeft, de keizer of het christendom, laat ik hier in het midden. De god van de christenen is in elk geval net zo ‘naijverig’ als die van de Joden en de gevolgen voor de andere religies en hun goden laten zich dus raden. Die moesten nu verdwijnen. Dat waren geen interessante lokale varianten van iets soortgelijks, maar vormen van heidendom, afgoderij die uitgeroeid moesten worden: onderwerping en bekering was het enige wat overbleef, te beginnen bij alle Romeinse staatsburgers, maar indien mogelijk uit te breiden tot de hele bewoonde wereld, urbi et orbi. En daar gaan de zendelingen, vertrekkend vanuit Rome naar alle uiteinden der (toenmalige bekende) wereld, zo luidt de theorie. De facto gingen ze eigenlijk alleen maar naar het Westen en het Noord-Westen, en nog niet eens vanuit Rome. Dat komt later pas. En na Frankrijk, dat zichzelf graag de ‘oudste dochter van de Kerk’ noemt, was het al een hele klus om delen van Engeland te winnen.

Terugval en come back (ca. 450 – ca. 700)

Na de instorting van de Romeinse staatsstructuur hangt de toekomst van het christendom zelfs aan een zijden draadje. Had de voormalige prefect van Rome, en ambassadeur van het Romeinse Rijk in Constantinopel, paus Gregorius, niet krachtdadig naast de geestelijke ook de politieke leiding naar zich toe getrokken, dan zou het verhaal van West-Europa weleens heel anders gelopen kunnen zijn. Hij wordt niet voor niets bijgenaamd ‘de Grote’. Na een moeilijke periode keert het tij. En kijk, nu komen de missionarissen vanuit de Noord-Westerse uiteinden (Ierland, Engeland) terug naar het vasteland van Europa om het halve werk uit de eerste 500 jaar van het christendom af te maken: Daar gaan de Friezen, de Germanen de doopvont in. Het verhaal, hun verhaal, is bekend: “754: Bonifatius bij Dokkum vermoord”, leerden wij vroeger op school. Het is het verhaal van heldhaftige missionarissen, standvastige heiligen, martelaren voor het geloof, waarbij goed en kwaad, God en afgod (of duivel) duidelijk tegenover elkaar staan en de dienst aan God zonneklaar en eenduidig is. Hoe nobel of edel de ‘heidense cultuur’ die men tegenkomt, ook mag zijn, als men de knie voor Christus niet buigt, moet de cultus verdwijnen. Wel had de reeds genoemde Gregorius een heel slimme strategie uitgewerkt om deze bittere pil wat te vergulden.

kerstening volgens Gregorius de Grote

Om de harten van de mensen te winnen mogen zendelingen kwistig omspringen met wijwater: ze mogen heidense cultusplaatsen met gewijd water zuiveren en de gebouwen die er staan omvormen tot kerken. Ze mogen zelfs lokale riten en goden proberen te ‘kerstenen’, dat wil zeggen van een christelijk sausje voorzien. De filosofie hierachter was dat langzaam maar zeker de zuivering van binnenuit wel zou plaatsgrijpen. Niet slecht gezien van deze paus. Hij had gevoel voor de zeggingskracht van narratieve constructies. Ik zei het al, hij wordt niet voor niets ‘de Grote’ genoemd. Het verklaart waarom de christelijke religie nog steeds zo’n wonderlijk amalgaam is van bijbelse leer, theologische verhevenheden, en allerlei wonderlijke gebruiken, inclusief heidense goden die in christelijke heiligen voortleven, velen zelfs op hun eigen gewijde grond (grotten, bergen, bronnen) of bij een geneeskrachtige boom (de eik tussen Zichem en Diest op een ‘Scherpen heuvel’). Daarom zoeken wij eieren op Pasen, valt Kerstmis samen met de Zonnewende, gaan we op bedevaart naar Santiago, en is er zoiets wonderbaarlijks als het carnaval. Jezus zou het nooit verzonnen kunnen hebben!

Een amalgaam van filosofische opvattingen, rituelen, politiek en ethiek

Een belangrijk element in het verhaal van het christendom is dat religie voor het christendom dominant werd een andere ‘functie’ had dan nadien (tot op vandaag). Veel religie en religiositeit (NB: ook in de Schriftreligies, maar men schaart dat vaak onder bijgeloof) had namelijk meer te maken met Lebensbewältigung (afweerrituelen van onheil, dagelijkse beslommeringen, opname in een mysterie) dan met ethiek, politiek en levensbeschouwing. In de Grieks-Romeinse wereld werd het terrein van de ordening van het dagelijkse leven immers los van religieuze kwestie opgelost: politiek was altijd een ‘zaak van mensen’ (waarbij de goden wel werden betrokken, maar geen wetten dicteerden). De filosofie diende voor de vragen naar de oorsprong der dingen (seculier, zeker sinds Anaxagoras) en hoe mensen zouden moeten leven en samenleven (in de de stad, de polis: politiek). Ieder wel-denkend (en vrij mens: burger) werd uitgenodigd aan dit gesprek deel te nemen. Daar moeiden de ‘goden’ zich op zich niet mee. Die hadden dat a.h.w. aan de mens gedelegeerd. Op dit punt betekende het christendom dus een essentiële verandering. Vanaf nu gingen opvattingen over God, de zin van het leven, en de inrichting van het leven elkaar beïnvloeden. En werden tot één geheel. Voor het christendom zich machtig manifesteerde was religie een apart aspect van het leven, met een beperkt belang (toepassingsgebied). Eens het christendom zich begint te settelen, wordt alles wat de mens doet verbindbaar met God (en dus met het ‘juiste geloof’). Goed en kwaad wordt ‘absoluter’. Het christendom zet ook het gewone leven, ja het hele leven, onder religieuze hoogspanning.

De strijd om de ware religie

Aan het eind van de Middeleeuwen, na bijna 1000 jaar christelijke hegemonie in het Latijnse Westen, waarvan de laatste paar honderd jaar ook werkelijk (z.b.), was het voor iedereen wel duidelijk dat er maar één God was, de christelijke. Alle pre-christelijke goden en religies waren herinneringen geworden, vergelijkbaar met de Griekse en Romeinse, en de societas christiana was een feit, niet bedacht, maar gegroeid. Vanuit deze volledig van het christendom (in die onbewust syncretistische vorm die hierboven is geschetst) doordrenkte wereld keek men naar religies waarvan men vernam dat die buiten de christelijke gebieden beleden werden. Het oordeel lag al van tevoren vast: het was zeker geen dienst aan de enige echte God, maar een poging van de aartsvijand van God, de duivel, om de mensen van het ware Evangelie weg te houden, door die een ‘surrogaat’ aan te bieden. Twee van die perfide religies kende men in de christenheid bij name en in ’t echt: het Jodendom en de islam (toen meestal Mohammedanisme geheten).

Het Jodendom

De eerstgenoemde religie bestond uit mensen die maar niet wilden inzien dat Jezus de beloofde Messias (‘Christos’ in het Grieks) was, terwijl hun eigen geschriften, zo meenden de christenen toch, dat nota bene luid en duidelijk verkondigden. Wel vreemd, dat de mensen die de Geschriften zelf hadden geschreven, de Joden, en die ze in de oorspronkelijke taal dag-in dag-uit lazen, dat die dat anders zagen en maar niet overtuigd konden worden. Daar moest de duivel dus wel achter zitten. Die verblindt hun ogen en verduistert hun verstand. Vandaar dat het symbool voor de synagoge in de christelijke kunst een geblinddoekte vrouw is. Men verdroeg ze ternauwernood, en eigenlijk helemaal niet, in de christelijke wereld. Hun ‘er-nog-steeds-zijn’ was een constante kritiek op de waarheidsclaim van de Kerk.

De islam

De islam was een andere zaak. Dat was een gevaarlijke concurrent, een vijand. Moslims leefden niet in de christelijke wereld zoals de Joden, maar aan de rand ervan en rukten soms vervaarlijk ver op in wat christelijk gebied was: In 1492 waren ze net weer uit Spanje verdreven, na vele eeuwen present te zijn geweest. Via de Balkan kwamen ze op dat moment ook al snel weer dichterbij (Constantinopel was in 1452 gevallen) en in de zestiendeen zeventiende eeuw zouden ze tot tweemaal toe voor de poorten van Wenen verschijnen. Theologisch was men er snel klaar mee: Mohammed was een bedrieger, die zich voordeed als een profeet en de heilige Schriften verdraaide. Zo probeerde hij de mensen te misleiden. Duivelswerk, dat was zeker. En de duivel is de ‘vader der leugen’, dat weet toch iedereen. Tegenwoordig wordt er soms lyrisch gedaan over periodes van vreedzaam samenleven van de drie Schriftreligies, m.n. in Spanje (’El Andalus’), maar dan vergeten we dat dat uitzonderingen waren die enkel konden bestaan onder een autocratisch bewind, en vervolgens ook telkens weer bezweken onder druk van zeloten, van afwisselend islamitische en christelijke strekking. Trouwens: strategisch toestaan van andere religies omdat je de mensen en hun kennis en kunde kunt gebruiken vanuit een machtspositie is nog niet helemaal hetzelfde als ‘tolerantie’ in de moderne zin van dit woord. Ook Franciscus van Assisi’s legendarische bezoek aan de sultan in 1219 worde in zijn historische context gelezen. De ‘minderbroeders’ begaven zich als schapen temidden der wolven om Christus te prediken aan de ongelovigen (zo staat het letterlijk in het oudste verslag). De biografie van Bonaventura introduceert dit bezoek zelfs expliciet als een poging van Franciscus tot het verwerven van het ‘martelaarschap’. [note]Bonaventura, Grote Levensbeschrijving, IX.7-8. De tekst in een aparte post. Men leze het voor men het aan moslims voorlegt.[/note] Maar dit terzijde.

De ketters: the enemy within

Het christendom is voor de Westerse christenen – in de beleving van die tijd – gewoon de enige echte godsdienst, al de rest is bedrog en/of duivelswerk, afgoderij. De soms hevige betwistingen of de kerk bij de invulling en beoefening van die dienst aan God het wel helemaal goed deed, waren geen theoretische discussies, maar een strijd op leven en dood (letterlijk) om de orthodoxie en orthopraxie (de juiste leer en het juiste leven) binnen de enige godsdienst. Verliezers werden gediskwalificeerd als ketters en meestal tamelijk efficiënt onderdrukt met behulp van de wereldlijke overheid. Dat God op een verkeerde wijze (falsa religio) zou worden gediend was onacceptabel.

Achter ketterijen zit de duivel en die moet te vuur en te zwaard bestreden worden. Hij kaapt immers voortdurend de menselijke faculteit om God te dienen en spant die voor zijn eigen karretje. De duivel is nooit origineel, hij kan zelf niets creëren, hij kan enkel God imiteren, nadoen. Hij is de aartsplagiator. Binnen de christelijke wereld probeert hij dat middels ketterse bewegingen. Daarin bootst de duivel de ‘kerk’ na terwijl ze stukken daarvan vervalst. De duivel is Gods aap. Hij kan leerstukken vervalsen, ceremoniën en rituelen parodiëren, de levenswandel (ethiek) perverteren en zo de hele Kerkorde verstoren. De katharen boden zelfs een volledig alternatief met hun ‘tegenkerk’ en moesten dan ook volledig worden uitgeroeid.

Leerstellige ketterijen werden tamelijk effectief geneutraliseerd: verbranding van de geschriften en de belangrijkste ketters volstond.

Voordat de boekdrukkunst een snelle en grote verspreiding van gedachten mogelijk maakte, was ketterij zodoende heel vaak een lokaal verschijnsel. De grens tussen ketterij en rechtmatig protest was trouwens soms flinterdun, temeer daar over veel zaken in de kerk het laatste woord ook nog niet gezegd was en Rome ook niet alles kon controleren. Daarom kon Pietro Valdes, die met de armen van Lyon paarsgewijs rondtrok, het evangelie predikend, levend in armoede, veroordeeld worden als ketter, terwijl zijn spirituele tweelingbroer Franciscus van Assisi die ongeveer hetzelfde deed, heilig verklaard kon worden, weliswaar ook na op het nippertje aan de ketterveroordeling te zijn ontsnapt. Idem voor leerstellige ketterijen: Thomas van Aquino had het tijdens zijn leven behoorlijk lastig om ‘binnen het toenmalige kader’ te blijven, vooral omdat hij de heidense filosoof Aristoteles zo’n royale plaats gaf binnen zijn denken. Hij moest nog door zijn alom gerespecteerde leermeester, Albertus de Grote, worden verdedigd tegen de aanklacht van ketterij, terwijl enkele eeuwen later zijn denkwereld dominant is geworden en zijn ‘systeem’, het Thomisme, quasi heilig verklaard wordt als de rooms-katholieke kerk tegenover de chaos van de protestanten klaarheid willen scheppen (concilie van Trente). Van ketter tot doctor ecclesiae.